|
WAT | WIE | FRAGMENTEN | BEELD
WAT
"Het manuscript Orgels in Overijssel 1450-1825, dat het resultaat is van jaren onderzoek in archieven, en dat een lang stuk orgelhistorie behandelt, kent een indeling in perioden. Er is een cesuur bij belangrijke tussenjaartallen: 1580 (de Reformatie) en 1750 (het einde van de Barok). De periode 1580-1750 is bovendien geografisch gesplitst, enerzijds in de drie grote steden (Deventer, Kampen en Zwolle) en anderzijds de drie kwartieren (Twente, Salland en het Land van Vollenhove). Deze hoofdstukken beschrijven de bouw van het orgel, het onderhoud en de wijzigingen tot in onze tijd of tot het jaar van vervanging. Soms is de bouwperiode niet te achterhalen, maar wel de verdere historie van het instrument.
Naast de historie zijn ook andere aspecten belangrijk: de orgelmakers, de organisten, de orgelkassen, de restauraties, en een evaluatie van de Overijsselse orgelbouw in vergelijking met de rest van Nederland. Aan al deze onderwerpen is een hoofdstuk gewijd. Het hoofdstuk over de orgelmakers bevat gegevens betreffende het vakmanschap en het werkterrein, waarbij de literatuur een belangrijke rol speelt. Dat over de organisten bevat persoonlijke informatie, die afkomstig is uit de archieven van kerk en overheidsbesturen, maar ook uit de doop-, trouw- en begraafboeken van de kerken. Een zeer belangrijke kant van het orgel is de uiterlijke vorm, het orgelfront, dat beeldend wordt beschreven, wordt verduidelijkt met foto’s en tekeningen, en wordt belicht vanuit kunsthistorisch perspectief.
Voor het eerst in de Nederlandse orgelliteratuur is er een apart hoofdstuk gewijd aan de restauraties, omdat die juist in de provincie Overijssel toonaangevend zijn geweest. De restauratie van het Schnitger-orgel in Zwolle van 1953-56 was de eerste grote orgelrestauratie in ons land, dus letterlijk pionierswerk. Daarna volgden de grote orgels van Berner en Eppman in Ootmarsum, en vervolgens waren de Hinsz-orgels in de Bovenkerk en de Buitenkerk in Kampen aan de beurt. In 1977 werd het Bosch-orgel in Vollenhove gerestaureerd, daarna het Van Gruisen-orgel in de Broederkerk van Kampen en als laatste het Heilman-orgel in de Doopsgezinde kerk van Almelo in 2005 en 2006. Inmiddels is er bij het restaureren van orgels een zeer hoog niveau bereikt, door de inspanningen van de orgelmakers, maar vooral door het beleid van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, sinds 2010 de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Orgels in Overijssel 1450-1825 sluit af met een evaluatie, want de orgelcultuur in Overijssel was anders dan in andere de provincies. Als vergelijkingsmateriaal wordt mijn onderzoek van het Hollandse en het Friese orgel gebruikt, alsmede de conclusies van dr. Jan van Biezen, die de School van Jan van Covelens onderzocht, de grondlegger van het Nederlandse orgel."
naar boven
WIE
In gesprek met de auteur: Auke Hendrik Vlagsma
“Ik ben in 1939 geboren in Bolsward, waar in de Martinikerk een prachtig Hinsz-orgel staat uit 1781. Onder het orgel was een stucplafond, dat gerestaureerd werd door mijn vader, en ik hielp hem daarbij op mijn vrije middagen. Zo kreeg ik de kans om een orgel van binnen en orgelmakers aan het werk te zien. Het maakte een geweldige indruk op mij, al die rijen pijpen van aflopende lengte waar tonen uit komen die gedirigeerd worden door één persoon achter de klavieren.
Na de HBS ben ik verder gegaan in de bouwkunde aan de toenmalige HTS in Leeuwarden en in 1963 bij een ingenieursbureau gaan werken als tekenaar, tot ik in 1973 het plan opvatte om parttime bouwkunde te studeren aan de TU te Delft. Deze studie heb ik in 1979 met succes afgerond, waarna ik bouwkundig ingenieur was. In die tijd had ik in Leeuwarden de orgelmakers Ydema en Dam, de firmanten van orgelmakerij Bakker en Timmenga, leren kennen. Ik mocht zo vaak als ik wilde bij hen in de werkplaats komen kijken. Zij waren in 1976 begonnen met de restauratie van het Müller-orgel in de Grote kerk van Leeuwarden en hadden de restauratie van het Hinsz-orgel in de Bovenkerk te Kampen bijna afgerond. Als een orgel gerestaureerd wordt, moet het helemaal gedemonteerd worden. De onderdelen, windladen, klavieren en balgen, worden naar de werkplaats vervoerd om daar uit elkaar gehaald en gerestaureerd te worden. Zo’n project is de gelegenheid om te zien hoe een orgel in elkaar zit en hoe het werkt.
Inmiddels was ik arbeidsongeschikt geworden. Ik moest wat anders gaan doen en tekenen kon ik nog wel, dus ging ik opmetingen aan orgels doen, en in archieven zoeken naar het verleden van de orgelbouw. Dit leidde er uiteindelijk toe dat ik in 1992 ben gepromoveerd op het proefschrift Het 'Hollandse' orgel in de periode van 1670 tot 1730. Vanaf 1989 woonde ik in Wolvega en daar ben ik begonnen met het onderzoek naar de geschiedenis van het Friese orgel tussen 1500 en 1750, wat heeft geresulteerd in het gelijknamige boek, dat in 2003 bij de Fryske Akademy is verschenen. Orgels in Overijssel tussen 1450 en 1825 bestrijkt een langere periode dan in Friesland, omdat de orgelhistorie hier heel anders is verlopen. Er zijn enerzijds minder orgels bewaard gebleven, maar anderzijds zijn er veel meer gegevens op papier en is er ook meer ouder pijpwerk in latere orgels te vinden. De oudste contracten berusten in het stadsarchief van Zwolle en dateren uit het midden van de 15de en het begin van de 16de eeuw. Het meeste oude pijpwerk bevindt zich in de Bovenkerk van Kampen. Dat deze studie in 1825 eindigt, heeft te maken met de kerkelijke cultuur in Overijssel. Vanaf de Reformatie tot 1780 zijn er maar weinig orgels gebouwd; er werd in veel kerken gezongen zonder orgel. Maar na de nieuwe psalmberijming van 1773 en de bundel Evangelische gezangen van 1806 kwam er vraag naar een krachtig instrument voor de zangbegeleiding. Toen de Franse tijd voorbij was, bloeide de orgelbouw op en werd een type orgel gebouwd dat qua dispositie nog sterk geïnspireerd was op het verleden, maar grondtoniger en dus krachtiger geïntoneerd was.
Een orgel is wat de Duitsers zo treffend noemen een Gesamtkunstwerk. Er zijn drie kunstvormen bij betrokken: de bouwkunst voor de kassen, de orgelbouwkunst, en de beeldende kunsten, vooral de beeldhouwkunst. Toen de Reformatie omstreeks 1580 in Overijssel voet aan de grond kreeg, werd het orgel het centrale punt van aandacht in de kerk, in plaats van het altaar. Kosten noch moeite werden gespaard om het niet alleen voor het oor, maar ook voor het oog zo kunstzinnig mogelijk te maken. Zoals de andere kunsten een ontwikkeling doormaakten in stijlperioden, zo was dat bij het orgel ook het geval. Daarom onderscheiden we in de orgelbouw de Gotiek, Renaissance, Barok, Rococo, Classicisme, en ook de Romantiek, die overigens buiten het tijdsbestek van mijn boek valt.
Ik ben blij dat Orgels in Overijssel tussen 1450 en 1825, het eerste systematische, provinciebrede overzichtswerk, bij de IJsselacademie gaat verschijnen, mits het benodigde geld bijeengebracht kan worden. Het rijke muzikale erfgoed hier verdient het.”
naar boven
FRAGMENTEN
1. De vernielingen aan de orgels in de St.-Stephanuskerk te Hasselt tijdens de Beeldenstorm. 2. Hoe men in Deventer trachtte orgelmaker Johan Smit zijn werk in de Lebuïnuskerk te laten afmaken. 3. De organist van de St. Michaelskerk in Zwolle, die in de kou zat en het roken niet kon laten.
1. De vernielingen aan de orgels in de St.-Stephanuskerk te Hasselt tijdens de Beeldenstorm. Tussen 1545 en 1549 werd een nieuw orgel gebouwd door Jorrien Slegel uit Zwolle. Dit orgel is niet ongeschonden gebleven bij de Beeldenstorm van 26 oktober 1582, toen Hasselt op bevel van Ridderschap en Steden ingenomen werd door een eenheid van 150 soldaten onder leiding van de hoplieden Crom van Steenwijk, Wolter van Doorn en Nicolaas van Haarlem. De soldaten plunderden de kerk en namen alles mee wat van waarde was, onder meer stukken priesterkleding, maar voornamelijk de voorwerpen die van metaal waren: een zilveren kelk, de kronen en kandelaars, en ijzerwerk uit het grote orgel. Opvallend genoeg wordt er niet gesproken over lood. Waarschijnlijk heeft men de Beeldenstorm zien aankomen en kans gezien om de pijpen van het grote orgel op een veilige plaats onder te brengen. Dat de soldaten wel degelijk op lood uit waren, blijkt uit het feit dat zij een groot deel van de loodbekleding uit de goten braken. Het kleine orgel werd totaal uitgeplunderd en vernield.
2. Hoe men in Deventer trachtte orgelmaker Johan Smit zijn werk in de Lebuïnuskerk te laten afmaken. In de resoluties van de magistraat kunnen we lezen dat in 1663 een orgelmaker Johan Smit opdracht krijgt om “het orgel in de Groote Kerk te hermaecken nae die forme van de rechterzijde derselver teekeninge”. Een tekening wijst op de vervaardiging van nieuwe kassen. Er zijn twee kistenmakers bij het werk betrokken, Jan Borchaerts en Jonas; ene Derck Daniëls wordt aangetrokken voor het snij- en beeldhouwwerk. De orgelmaker is Johann Smit jr. uit Münster in Westfalen. Hij werkte met zijn vader vanaf 1626 in het Hochstift Münster en in graafschap Bentheim als orgelmakers en reparateurs. Van Smit jr. staat vast dat hij van 1656 tot 1661 het orgel in Nordhorn bij de grens van Overijssel onderhield. Er is maar één nieuwbouw van hem bekend, die hij met zijn vader in Borghorst in Westfalen heeft uitgevoerd. Het is uiterst merkwaardig dat de orgelmaker bij vooruitbetaling het formidabele bedrag van 1.200 carolusgulden ontving. De magistraat en de kerkmeesters hadden kennelijk veel vertrouwen in hem, maar men kan zich afvragen waarom. Alras bleek namelijk dat Johan Smit helemaal niet in staat was een werk van deze omvang uit te voeren. De magistraat moest hem na twee jaar dwingen om het karwei af te maken, waarbij drastische middelen niet werden geschuwd. Vanaf 20 maart 1665 zette men hem ’s nachts op het stadhuis in een gevangencel; overdag moest hij onder toezicht van een stadsdienaar in de kerk aan de slag! Er werd wel voor gezorgd dat zijn vrouw in haar onderhoud kon voorzien, elke week ontving ze twee carolusgulden, die in mindering werden gebracht op de aanneemsom. Later logeerde Johan nog 143 dagen bij de roedendrager Wicher Lucas, die ook toezicht op hem moest houden, waarvoor achttien stuivers per dag van de aanneemsom werd afgetrokken. Op 11 juni 1666 kreeg Johan een aanmaning om het orgel binnen veertien dagen gereed te hebben, maar het was nog lang niet zover. Het zou nog bijna een jaar duren voordat het instrument kon worden gekeurd. De uitslag laat zich raden; in 1667 werd Johannes Slegel III in Deventer ontboden om het orgel in de Lebuïnuskerk in orde te maken… In juni 1668 ontving hij maar liefst 1.485 carolusgulden voor zijn werkzaamheden. Toen pas kreeg een schilder, Johan van Stegeren, opdracht om de kassen te schilderen en te vergulden.
3. De organist van de St. Michaelskerk in Zwolle, die in de kou zat en het roken niet kon laten. Johan Gottlieb Nicolai werd op 15 oktober 1744 geboren in Gross Neundorf in Saksen als zoon van Johann Martin Nicolai, die organist was. Hij werd door zijn vader opgeleid en vertrok naar Münster om daar een betrekking te aanvaarden. Op 22 mei 1775 wordt hij in Zwolle officieel aangesteld op een tractement van 500 carolusgulden. In december 1776 dient hij een verzoek bij de magistraat in om op de zaterdagen in januari en februari niet meer in de kerk te hoeven spelen, omdat dat bezwaarlijk is door de kou. Hij moet op antwoord wachten tot 24 januari 1777, als het verzoek wordt afgewezen. Omdat hij in staat is om zelf het orgel te onderhouden, krijgt hij in 1788 een tractementsverhoging van 80 carolusgulden. Twee jaar later is het instrument in zo’n slechte toestand, dat de orgelmakers Freijtag, Bätz en Wolfferts worden ontboden om hun visie te geven. Het eensluidende oordeel van de drie is belastend voor Nicolai. Hij zou niet de nodige zorg aan het instrument hebben besteed, en daarom wordt zijn tractement ingehouden. Orgelmaker Albertus van Gruisen, die het orgel vervolgens repareert, spreekt de kritiek echter tegen met argumenten die zo steekhoudend zijn, dat Nicolai wordt gerehabiliteerd. In 1790 komen er klachten over het feit dat hij een pijp rookt als hij op het orgel speelt. Zijn antwoord is “Wenn ich nicht rauchen darf, so spiel ich auch nicht mehr”. (De goeie, ouwe tijd.) Er volgen geen represailles en Nicolai blijft gewoon rokend doorspelen.
naar boven
BEELD
|
Kampen, Bovenkerk, 1676 Johan Slegel / 1743 Albertus Anthonij Hinsz / 1790 F.C. Schnitger jr. en H.H. Freijtag.
|
|
Kampen, Bovenkerk, Vox Humana van het bovenwerk, 1743 A.A. Hinsz en ouder.
|
|
Kampen, Bovenkerk, speeltafel met klavieren van A.A. Hinsz. |
|
Kampen, Broederkerk, 1822 Albertus van Gruisen. |
|
Zwolle, St.-Michaelskerk, 1722 Frans Caspar en Johan Jürgen Schnitger.
|
|
Vollenhove, St.-Nicolaaskerk, 1687 Apollonius Bosch / 1860 Jan van Loo. |
| |
Vollenhove, St.Nicolaaskerk, detail van het beeldhouwwerk op het rugwerk.
|
|
Foto’s: Jan Smelik, Steenwijk. |
| Dit digitale dossier is geplaatst in november 2010. |
|
|
|
|