Home | Geschiedenis | Digitale dossiers | Digitale dossiers
Werkgebied
Stichting IJsselacademie
Molenstraat 28a
8261 JW Kampen
Postadres
Postbus 244
8260 AE Kampen
t 038 331 52 35
f 038 333 42 04
e info@ijsselacademie.nl

Steden onder vuur


WAT | WIE | FRAGMENTEN | BEELDambitie

 

WAT

Kampen, Deventer en Steenwijk waren in de Tachtigjarige Oorlog belangrijk voor zowel de Spaanse troepen als de Staatse. De eerste twee behoorden tot de zogeheten frontiersteden, die Holland en Zeeland moesten vrijwaren van aanvallen vanuit het oosten. Steenwijk lag op de verbindingslijn tussen Drenthe en Friesland. Dat drie schrijvers – Johan van den Kornput, Splinter Helmich en Willem Lanius – onafhankelijk van elkaar een verslag hebben gegeven van de belegering van de drie plaatsen, is uniek. Het stelt ons in staat de gebeurtenissen te volgen vanuit drie verschillende invalshoeken.

Van den Kornputs taalgebruik is niet altijd zo lyrisch. Op de vraag van een vleeshouwer wat te doen als de voorraden in Steenwijk op zouden raken, antwoordt hij: “Dat duurt nog lang en als die tijd komt, zullen we jou en je soortgenoten als eersten opvreten.” De gevoelens van de bevolking jegens hem wisselden dan ook nogal eens. “Niettemin leek het er wel op, omdat zijn woorden uitkwamen, dat God door hem sprak, al wist hij het misschien zelf niet.” Voor de geschiedschrijving is Van den Kornput de belangrijkste en de best geïnformeerde van de drie kroniekschrijvers, door zijn contacten met de burgerbevolking en de leidinggevenden op militair en bestuurlijk niveau. 

Splinter Helmich is het kortst aan het woord: hij wordt tijdens het beleg van Deventer teruggeroepen naar Holland. Zijn aandeel bestaat vooral in de precieze beschrijving van de bewegingen van het leger, wat het voor de lezer gemakkelijk maakt plaatsen te herkennen waar hij anders wellicht aan zou zijn voorbijgegaan. “Op 23 augustus vertrok hopman Haen uit het klooster in Hunnepe naar de schans tussen het Leprozenhuis en de stad en hopman Raeshoorn uit de IJsselschans naar de schans rond het kapelletje. Geert de Jong en Evert van Wageningen verlieten die schans ook en legerden zich in de schans rond de tegeloven en bouwden hun hutten in de schansen om ze te beschermen. Ongeveer 40 schoten. ’s Avonds trok ik met mijn vliegende vaandel de IJsselschans bij de Noordenbergtoren binnen om daar te blijven.” 

Willem Lanius is predikant in Steenwijk en zijn beroep, waardoor hij dichtbij de bevolking staat, klinkt door in zijn verslag. Waar Van den Kornput spreekt over de burgers, geeft Lanius hun een naam; waar Kornput de brand in de stad beschrijft als een gebeurtenis, vertelt Lanius in wiens huis de brand uitbrak en hoe de mensen het vuur te lijf gingen. “De brand is begonnen in de schuur van Berent ten Broecken, die bij de kerk tegenover de Vergulde Haan stond, en door de harde oostenwind zijn de Lage en Hoge Woldstraat aan beide zijden half afgebrand. De tweede ontstond in de schuur van Matthieu Franckena, zaliger gedachtenis, waar vanaf de kant van de Gasthuisstraat tot aan de wal toe de huizen zijn verbrand. […] Het derde huis dat vlam vatte, was dat van Johan Keetelaar bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk, en tegelijkertijd brak er nog in wel zeven huizen in de Onnastraat brand uit, maar de brand in deze huizen is met grote inspanning en zonder veel schade toe te brengen geblust.” Hoe ze het gedaan hebben, moet u zelf maar lezen: spectaculair is het zeker.

naar boven



WIE

In gesprek met de auteur: Huub de Kruif (1935)                                                       Foto_auteur_De_Kruif

“Oorspronkelijk ben ik afkomstig uit het onderwijs. Veertig jaar lang ben ik als docent Engels verbonden geweest aan een school voor VWO. Naast mijn belangstelling voor taal heb ik altijd grote interesse gehouden in geschiedenis. Op latere leeftijd heb ik aan de VU in Amsterdam een studie kunstgeschiedenis voltooid. 

Ik raakte gefascineerd door de wereld van het middeleeuwse handschrift. Dat was de reden waarom ik in Leiden een studie paleografie en codicologie ben gaan doen: om zelf die teksten te leren lezen en transcriberen. Tijdens een werkcollege moest ik een keer een tekst uit 1604 niet alleen transcriberen, maar er ook een moderne Nederlandse hertaling van maken. Er sprong een vonk over. Dat hertalen bleek echt een kolfje naar mijn hand te zijn. Sindsdien heb ik mij met volle overgave op dat werk gestort – in eerste instantie puur uit liefhebberij, al hoop je natuurlijk altijd dat de resultaten op de een of andere manier hun weg naar een lezer zullen vinden. 

Mij viel op dat, als het gaat over de Tachtigjarige Oorlog, er feitelijk zo bar weinig is geschreven over de menselijke dimensie van die strijd. De belangrijke veldslagen, de grote krijgshandelingen, die zijn goed gedocumenteerd, maar hoe het voor gewone mensen nu eigenlijk voelde om in die tijd te leven, daarover zijn de bronnen veel zwijgzamer. Het was dan ook een gelukkige greep toen ik een transcriptie in handen kreeg van het dagboek van broeder Wouter Jacobsz. In ruim 800 bladzijden legt die het dagelijkse wel en wee van de oorlog vast, gedurende de periode 1572-1579. Het deel van het dagboek dat gaat over Amsterdam en Haarlem heb ik hertaald en is in 2008 uitgegeven.* 

Van het een komt het ander, en zo ontdekte ik dat er maar liefst drie interessante verslagen bestaan over het beleg van Overijsselse steden tijdens de Tachtigjarige Oorlog: één over Deventer, één over Kampen en één over Steenwijk. Die teksten zijn vooral te vinden in oude tijdschriften die niet voor iedereen toegankelijk zijn, en het leek me dus nuttig om er een nieuwe, moderne editie van te maken. Zo is het manuscript van Steden onder vuur tot stand gekomen. 

Deze verslagen brengen voor een Overijsselse lezer de Tachtigjarige Oorlog ineens verrassend dichtbij. Met name de tekst van dominee Lanius, over het beleg van Steenwijk, blinkt uit door gevoel voor detail en oog voor het menselijke element. In Steden onder vuur, deze hertaling met haar regionale en locale invalshoek, hoop ik op de eerste plaats de Overijsselse lezers in contact te brengen met een belangrijke, dramatische episode uit hun geschiedenis. 

* H. de Kruif, Dagboek van broeder Wouter Jacobsz 1572-1579. Verslag van een ooggetuige, Soesterberg, uitgeverij Aspekt, 2008.

naar boven



FRAGMENTEN uit de kronieken

 

De stad wapent zich
Een hachelijk avontuur
Een held in het bluswerk
God straft onmiddellijk
Barbaarse lafheid
Een teken
Geweld werkt averechts

De stad wapent zich              W. Lanius, 30/10/1580

“Alle brouwketels waren al naar de wallen gebracht en gevuld met water om daar kalkwater in te koken, duizenden stapels pek klaargemaakt, op het grootste deel van de wal rondom de stad stenen gelegd, van alle daksparren en staken spiesen gemaakt, honderden knotsen van spijkers voorzien, de hooivorken van de burgers rechtgebogen, ettelijke vlegels met ijzeren pennen beslagen, verder nog honderden voetangels gesmeed en al het oorlogstuig in gereedheid gebracht dat men nodig kon hebben om de bestorming het hoofd te bieden. Dit had zowel de burgers als de soldaten de moed gegeven om zich te verzetten.” 

Een hachelijk avontuur        Steenwijk, J. van den Kornput, 23/09/1578

“Elke dag weer werd de belegeraars zeer grote schade toegebracht vanuit de kap van de Noordenbergtoren, omdat die zo hoog was. Op den duur verdroot dit Sonoy zo erg dat hij op de 22ste opdracht gaf flink te schieten op de pilaren waar de kap op rustte. Toen aan één kant de pilaren eronder vandaan geschoten waren, stortte, op de 23ste tegen de avond, de kap met een vreselijk lawaai en veel stof zijwaarts naar beneden, zonder echter enig letsel aan de wachters op de toren toe te brengen. De bezetters hebben overal in de stad haastig de wapens aangegord, omdat ze dachten dat de hele toren was ingestort.” 

Een held in het bluswerk     Deventer, J. van den Kornput, 23/10/1580 

“De belegerden stonden allemaal op de wal toe te kijken. Een soldaat van Kornput bood zich aan als vrijwilliger en toen hij met een ladder naar beneden was geklommen (de poort was immers volgestopt), sleepte hij openlijk een leren emmer in zijn mond met zich mee en zwom de gracht over. Hij schepte water en ging op zijn gemak op de brand af, gooide er het water overheen en rukte de teerton daarvandaan. Hij ging steeds heen en weer naar de gracht om water te scheppen tot hij de brand helemaal geblust had. Om hem heen regende het van de kogels van de belegeraar: het was buitengewoon wonderlijk dat hij in het felle licht van de brand niet geraakt werd. Hij maakte absoluut geen haast, maar liep zelfverzekerd en op zijn gemak heen en terug en riep elke keer: ‘Schelmen, ik ben Arent van Groningen, dieven, ik ben Arent van Groningen, schiet niet, want ik ben de zoon van een eerzame brouwer in Groningen.’ Toen hij zijn werk gedaan had, zwom hij terug naar de overkant. Toen hij op de wal stond, werd hij door zijn hopman met een handvol daalders beloond.” 

God straft onmiddellijk        Steenwijk, J. van den Kornput, 23/10/1580

“Hij [een Duitse soldaat buiten de muren] voegde daar een paar scheldwoorden en godslasteringen aan toe. Een soldaat mikte op de bron van het geroep en schoot hem door zijn mond, die hij bij het schreeuwen had openstaan, in zijn keel. Dat schot dat in het wilde weg en in de duisternis die het zicht belette, was afgevuurd, dat schot dat toch hetzelfde lichaamsdeel waarmee hij God lasterde, trof, werd door iedereen gezien als een onmiddellijke straf van God.” 

Barbaarse lafheid                 Steenwijk, J. van den Kornput, 06/10/1578 

“Op 6 oktober was er een zwangere vrouw, woonachtig bij de Beulse toren, die een kruidentuintje bij haar achtergevel had dat uitkeek op de wal. Omdat ze wat peterselie wilde afsnijden, deed ze het raam open en stak haar hoofd naar buiten. De soldaten die op de wal waren, zagen dat en liepen onmiddellijk door de voordeur naar binnen. Onder schrikaanjagend getier trok een van hen zijn wapen en kliefde vele wonden in haar hoofd, zodat ze op de grond viel en een dood kind ter wereld bracht: op diens hoofd waren de wonden van zijn moeder te zien.“ 

Een teken                              J. van den Kornput, 04/02/1581

“Op 4 februari werden er in de ochtend drie veldhoenders met de hand gevangen. Olthof had er een, de luitenants van Kornput en Stuper hadden er ook elk een. Toen men het Kornput verteld had, reageerde hij onmiddellijk met de woorden: ‘God is drievuldig en hij stuurde de wankelmoedige Israëlieten een soortgelijke spijs en hij zal ook zeker deze stad spijzigen. Maar zoals het drie veldhoenders zijn, zo zal het ontzet pas plaatsvinden als er drie weken verstreken zijn, omdat men hem niet vertrouwt.’” 

Geweld werkt averechts       Steenwijk, W. Lanius, 17/12/1580

“De ene, Jan Montien van naam, werd van dichtbij door de vijand doodgeschoten. De vijanden zijn naar hem toe gegaan en hebben hem, na zijn dood, nog vaak gestoken en ze riepen: ‘Wij zijn het leger van Snater, we zullen de paardenvreters allemaal op dezelfde manier behandelen’. Deze wreedheid heeft veel mensen van hen vervreemd en heeft ook veel mensen gestijfd in hun voornemen de stad tot het uiterste te behouden.”

naar boven  


 

BEELD

De_Camper_brugge_op_zijde                                                     
“De Camper brugge op zijde”, het bouwwerk dat zulke lyrische woorden aan de pen van Van den Kornput ontlokte. Gemeentearchief Kampen.                                                          
2_De_IJsselkade_in_Kampen_met_de_Leeuwentoren De IJsselkade in Kampen, met de Leeuwentoren, de stadskraan en op de achtergrond de IJsselbrug. Tekening A. Beerstraten, omstreeks 1665. Gemeentearchief Kampen.
3_Plattegrond_van_Steenwijk_midden_17de_eeuw Plattegrond van Steenwijk, midden 17de eeuw. Deze afbeelding geeft tussen de bastions een aantal kleine ravelijnen te zien. Universiteitsbibliotheek Leiden.
4_De_Woldpoort_omstreeks_1830 De Woldpoort omstreeks 1830. Tekening door J. Bisschop, particulier bezit.
5_Plattegrond_van_Steenwijk_door_Johan_Bleau_17de_eeuw Plattegrond van Steenwijk door Johan Bleau, 17de eeuw. Stedelijk Museum Zwolle.
6_Beleg_Rennenberg “Beleg door de graaf van Rennenberg, 1578”. Lithografie naar het origineel door A. van ’t Zant, 1838. Historisch Museum Deventer.
7_Gezicht_op_stadsfront_Kampen Gezicht op het stadsfront van Kampen met de IJsselbrug. Gravure door G. Braun en F. Hogenberg, 1575. Gemeentearchief kampen.
Dit digitale dossier is geplaatst in november 2010.  
 

Winkelmandje

VirtueMart
Uw mandje is momenteel leeg.

Tekst van de Maond
Bekijk hier alle teksten.
Nieuws


Disclaimer | Colofon | © 2011 Stichting IJsselacademie. Alle rechten voorbehouden.