Home | Geschiedenis | Digitale dossiers | Digitale dossiers
Werkgebied
Stichting IJsselacademie
Molenstraat 28a
8261 JW Kampen
Postadres
Postbus 244
8260 AE Kampen
t 038 331 52 35
f 038 333 42 04
e info@ijsselacademie.nl

Ontmoetingsplaats van verhalen
WAT | WIE | FRAGMENTEN | BEELD 

gerealiseerdWAT

Het gemeentearchief Steenwijkerland herbergt meer dan duizend strekkende meter lief en leed, uit stad en streek, alles onder één dak. Dat Steenwijkerland over zo’n enorm archief beschikt, komt doordat de gemeente stukje bij beetje is opgebouwd uit een aantal kleinere gemeenten: Steenwijk, Steenwijkerwold, Blankenham, Kuinre, Oldemarkt, IJsselham, Stad Vollenhove, Ambt Vollenhove, Vollenhove, Blokzijl, Giethoorn, Wanneperveen en Brederwiede. De bronnen van al die ooit opgeheven en gefuseerde gemeenten zijn nu netjes geordend en samengevoegd op één centrale locatie aan de Vendelweg in Steenwijk.

Liefst tien jaar lang hebben de vakspecialisten van het gemeentearchief Steenwijkerland hun handen vol gehad aan de complete schriftelijke nalatenschap van al die voormalige gemeenten. Archiefmedewerkers en vrijwilligers gingen dagelijks op speurtocht in de spelonken van de tijd. Met veel expertise en eindeloos geduld brachten zij, tussen 2001 en 2011, de archieven van alle voormalige gemeenten op orde. Nu die grootscheepse inventarisatie is voltooid, is er alle reden voor een feestelijke uitgave!

Al het werkelijke leven is ontmoeting is het motto van het doopsgezinde broederschapshuis Fredeshiem. Dat motto bleef in mijn hoofd hangen sinds het gemeentearchief, enkele jaren geleden, het archief van dit broederschapshuis in bewaring kreeg. De geschiedenis van Fredeshiem bleek rijk te zijn aan boeiende, ontroerende en soms aangrijpende verhalen.
In het archief van Fredeshiem kwamen we die verhalen weer tegen. Daar kunnen wij, ook nu, die verhalen en hun personages weer ontmoeten en daar raken en ontmoeten die verhalen elkaar ook. Zo ontstond bij mij het beeld van het archief als een ontmoetingsplaats voor verhalen.

Met de geschiedenis van de gemeente Steenwijkerland is het niet anders. Die bevat een schat aan prachtige verhalen. Het gemeentearchief is de plaats om die verhalen te ontmoeten. U kunt daar natuurlijk de grote, uit de (lokale) geschiedenisboeken alom bekende verhalen vinden. Maar ook veel kleine, maar niet minder mooie, miniaturen, waarin met enkele woorden of een enkel plaatje een doorkijkje wordt gegeven naar het leven van onze voorouders.

Wij willen met deze publicatie een indruk geven van die rijkdom aan verhalen, en wij hopen dat de uitgave zal stimuleren om die verhalen zelf te gaan opzoeken in het gemeentearchief. Het maakt dan voor ons niet uit of u een professioneel historicus, een ervaren genealoog bent of dat u nog nooit eerder een voet in een archief hebt gezet. Iedereen is bij ons van harte welkom!

Roel Lensen,
senior Gemeentearchief Steenwijkerland.

naar boven 


WIE

In gesprek met de auteur: Jolanda de Kruyf (1970)Jolanda_de_Kruyf_600

“Mijn achtergrond is een journalistieke. Toen ik was uitgeloot voor een studie journalistiek, kon ik aan de slag bij Boom in Meppel. Vanuit die positie heb ik mij langzamerhand ontwikkeld als tekstschrijver. Zo heb ik een boekje gemaakt voor de gemeente Brederwiede, voor de VVV Kop van Overijssel/Poort van Drenthe een uitgave Kerken in de Kop, en samen met mijn partner Roelof Tienkamp werk ik aan een serie reisgidsen over de Waddeneilanden. Toen de gemeente Steenwijkerland een publicatie wilde over het eigen Archief, kwam men bij mij terecht.

Ik was meteen enthousiast voor het idee, alleen al vanuit mijn liefde voor de cultuurhistorie van het gebied. Ik had zelf geen ervaring met het Archief, maar die onbekendheid kan juist ook een voordeel zijn: je kijkt met een frisse blik naar de dingen, net zo onbevangen als de lezer die je probeert te bereiken. De opzet van de publicatie was duidelijk: het moest een feestelijk boekwerk worden, dat de lezer als een gids de schatkamer van verhalen zou binnenleiden die het Gemeentearchief Steenwijkerland is. Het stoffige imago, waar Archieven nog wel eens mee te kampen hebben, moest worden weggenomen.

Waar begin je? Het Gemeentearchief Steenwijkerland is zeer omvangrijk, omdat het een samenvoeging is van een heel aantal kleinere Archieven, afkomstig uit de oorspronkelijke kernen waaruit de gemeente bestaat. Gelukkig nam Lianne van Beek, een zeer vakkundige en behulpzame archiefmedewerker, mij bij de hand. Zij wees mij de topstukken, maar ook de minder bekende documenten, dossiers waar een verhaal aan vastzit. Uiteindelijk was het nog een hele kunst om ergens de streep te zetten: ik had met gemak een dubbel zo dikke publicatie kunnen maken.

Wat de meeste indruk op mij gemaakt heeft, waren stukken uit de Bezettingstijd. Ambtelijke verordeningen met discriminerende maatregelen tegen de Joden, maar bijvoorbeeld ook de lijsten met inventarissen van joodse inboedels. Klinisch staat het allemaal opgesomd: zes kopjes, vier pannen, zes dekens, twee matrassen. Dat is hartverscheurend, als je bedenkt dat die mensen zijn weggevoerd, om nooit meer terug te keren.

Ik heb geprobeerd de kernen binnen de gemeente op een evenwichtige manier aan bod te laten komen door te kiezen voor een thematische aanpak. Onder de noemer toerisme bijvoorbeeld, of het water, krijgen ook de kleinere kernen hun verhaal. Ook is er een praktische invalshoek: onder meer een lijst met nuttige internetadressen, die een beginnend onderzoeker op weg kunnen helpen. Want we hopen natuurlijk allemaal dat de publicatie een stimulans zal zijn voor mensen om zelf een eigen onderzoek te beginnen, en gewoon eens binnen te stappen bij het Gemeentearchief Steenwijkerland.

Mijn meest verrassende ontdekking? Een paradox: dat papier meer eeuwigheidswaarde heeft dan digitale opslag. Al die papieren documenten nemen verschrikkelijk veel ruimte in beslag, en mijn eerste reactie was dan ook: waarom zetten jullie dat niet allemaal op een stick? Lianne kon mij dat uitleggen: de technieken van digitale opslag zijn ontzettend tijdgebonden. Denk maar eens aan de floppy disc, tien jaar geleden alom in zwang, nu al antiek. Een archief houdt dus vast aan papier, tot in lengte van jaren!

naar boven 


FRAGMENTEN

1. Verhalen van doodgewone mensen
2. Een wakend oog op wangedrag.
3. "Geslaegen met een haemer".
4. Volk van vissers en schippers.
5. Vonders, Jutters en piraten.
6. Plaag van muggen en spinnen.
7. Het meisje van Fredeshiem.

1. Verhalen van doodgewone mensen.
Wat maakt de archiefstukken van Steenwijkerland nu zo spannend? Misschien is het wel de stellige wetenschap dat problemen en pleziertjes van alle tijden zijn. Toen, nu, straks. De beschikbare middelen en mogelijkheden verschillen natuurlijk door de eeuwen heen, maar de mensen zelf eigenlijk niet eens zoveel. Uit historische stukken spreken dezelfde noden en verlangens. 
 Een andere reden is dat lezers in deze tijd met de kennis van nu naar het verleden kijken. Ze kunnen niet anders. Weloverwogen besluiten, maar ook terloopse pennenvruchten van verre voorouders krijgen een heel andere lading voor wie de geschiedenis kent. Daarom geven deze documenten zoveel meer prijs dan alleen hun dossiernummers. Het zijn verhalen van vlees en bloed. Verhalen van doodgewone mensen.

2. Een wakend oog op wangedrag.
Struikroverij en stroperij. Onzedelijk gedrag. Moord en doodslag. Wandaden, ze zijn van alle tijden. Mensen doen elkaar door de eeuwen heen – en dwars door alle lagen van de bevolking – de meest verschrikkelijke dingen aan. Het is een uiterst gevoelig stukje geschiedenis. Om reden van privacy blijft het recente deel dan ook strikt geheim. Er worden geen namen, jaartallen of delictdetails onthuld die kwetsend kunnen zijn voor nazaten. Maar tijd heelt de meeste wonden. Daarom zijn veel oudere vergrijpen en veroordeelden uit een ver verleden intussen wel terug te vinden in de openbare archiefstukken. Een bloemlezing.
 Zaterdag 9 januari 1723. In Vollenhove vindt op die winteravond een vreselijk familiedrama plaats. Dirk Annaeus ten Broeke, nog geen 37 jaar en oud-burgemeester van Steenwijk, wordt met een degen van het leven beroofd. De dader: Willem Bernars, zijn eigen zwager. De twee mannen waren bepaald geen vrienden van elkaar, maar die avond in herberg De Zwaan ging het helemaal mis. De kemphanen kregen, mogelijk onder invloed van een flinke hoeveelheid drank, ruzie en stonden met getrokken degens tegenover elkaar. De afloop van het duel was fataal voor Ten Broeke. De zwager vluchtte de stad én de provincie uit.1
Een gruwelijk voorval dat de plaatselijke gemeenschap schokte, maar niet op zich stond. In de annalen van het archief krioelt het van moorddadige verhalen en verboden daden. Diefstal en stroperij, maar ook mildere misstanden en malversaties.

3. "Geslaegen met een haemer".
Toegegeven, in de weelderige taal van weleer klinkt het allemaal toch wat minder cru. Al die wrede, maar verjaarde wapenfeiten. En een paar eeuwen na dato en delict wordt de soep natuurlijk allang niet meer zo heet gegeten.
 Neem de documentatie uit het archief Stad Steenwijk (tot 1811), over een bizarre geweldsexplosie in het late najaar van 1683.2  Waarom? Dat staat helaas niet vermeld. Zeker is wel dat meerdere partijen elkaar in de haren vlogen. Dat gebeurde op weinig zachtzinnige wijze en “eodem”. Dat wil zeggen: op dezelfde dag of plaats. Zo had Marten Mast “op de deure van Swaema Tijeboer moetwillighlijck geslaegen met een haemer”. Een zekere doctor Oostenbroeck raakte in diezelfde periode slaags met Jannes Wisman: “zij hebben malcanderen geslaegen en messen getrocken bij avondt”. Het verhaal verraadt dat er nog een tweede doctor in huis aanwezig was. Want: “Eodem hebben doctor Ens en doctor Oostenbroeck malcanderen met cannen, candelaeren en andere dingen gesmeeten en geslaegen bij avondt, ten huijse van Wisman”. Twee notabelen gingen elkaar kennelijk – in andermans huis – te lijf met van alles en nog wat: kannen, kaarsenstandaards en andere gebruiksvoorwerpen die maar voor het grijpen lagen. En nog was het vuur in de stad niet gedoofd. Een paar dagen na dit incident kregen ook Harmen Kisteman en Pieter Bloembergen het nog met elkaar aan de stok. Zij sloegen “malcanderen dapper bondt en blauw bij naght”.

4. Volk van vissers en schippers.
Visserij – en alles wat daarmee samenhing – was lange tijd een belangrijke bron van bestaan voor de inwoners van stad Vollenhove. Visserslieden, maar ook nettenmakers, scheepsbouwers, timmerlui en zeilmakers verdienden een goed belegde boterham. In 1905 leefde maar liefst 35 procent van de bevolking van de visserij en in 1915 kreeg Vollenhove zijn eigen visafslag. De haven had toen al zo’n 60 jaar een open verbinding met de Zuiderzee.
 Na afsluiting van die belangrijke binnenzee en inpoldering van het gebied ging het rap bergafwaarts met deze beroepstak. Vervangend werk was er nauwelijks en daarom trokken veel arbeidskrachten noodgedwongen weg. Voor de oudere vissers kwam er een potje met Rijkshulp; zij kregen tot 1942 financiële compensatie via de Zuiderzeesteunwet. In dat jaar verviel de steun en werd ook de visafslag opgeheven.3
 De Zuiderzee vormde ook voor Blokzijl een levensader. Een bekend rijmpje is dan ook: “Blokzijl voert meer schepen in ’t getal dan Overijssel overal.” In het archief van de fortresse zijn de stukken bewaard van het Klein- en Grootschippersgilde. Gilden schoten sinds de Middeleeuwen als paddenstoelen uit de grond. Ze leidden mensen op voor één specifiek vak en behartigden hun belangen: wie ziek werd kreeg financiële steun, ook weduwen en wezen werden voortgeholpen. Het Grootschippersgilde had enorm aanzien en in Blokzijl ook op bestuurlijk vlak een flinke vinger in de pap. Leden bevoeren de Zuiderzee, dreven levendige handel in Amsterdam of Lemmer. Maar ze staken ook de Noordzee over naar Engeland, en naar noordelijke Duitse steden als Hamburg en Bremen. Leden van het Kleinschippersgilde waren dichter bij huis actief, in de beurtvaart op steden als Steenwijk en Sneek.
 In het gemeentearchief is de oudst bekende gildebrief voor de schippers van Blokzijl bewaard gebleven. Het document dateert van 30 januari 1589 en is ondertekend door de drost van Vollenhove, Johan Sloet. Er staan heldere afspraken in over het Gildereglement, dat vaak streng was en binnen de sector tot monopolies en – als gevolg daarvan – oneigenlijke prijsvorming leidde. De bestuurders bepaalden dat voortaan iedere vier jaar nieuwe gildemeesters of dekens werden aangesteld. Die moesten toezien op de vrachtverdeling en prijzen, maar ook op het onderhoud van schepen en omgang met de bemanning.4

5. Vonders, jutters en piraten.
Ook jutters pikten hun graantje mee van de rijke oogst uit de Zuiderzee. Ze scharrelden hun kostje wel clandestien bij elkaar. Vondsten van de vloedlijn werden lang niet altijd even eerlijk bij de strandvonder gemeld. De strandvonder – vaak een rol voor de burgemeester – was in overheidsdienst; hij bewaarde van boord geslagen en ingebrachte spullen tot de rechtmatige eigenaar getraceerd was. Kwam er niemand opdagen, dan werd de lading uiteindelijk verkocht. Met een deel van de opbrengst als vindersloon. En zo leverde legale strandvonderij de lokale bevolking gelukkig regelmatig een extra cent op.
 In 1837 spoelde een klein fortuin aan op de kust van Kuinre en Blankenham.5  Een enorme partij kostbare palen, afkomstig van het eiland Schokland. Vermoed werd dat het om onderdelen ging van de houten zeewering die de Schokkers moest beschermen tegen de stijgende waterstand. De buit was van zo’n omvang dat de regels van de strandvonderij werden aangescherpt. In het archief zijn stukken bewaard waaruit blijkt dat de burgemeester van de voormalige gemeenten direct het heft in handen nam. Hij liet “speciale conditiën” opstellen: de palen zouden, ten overstaan van de Ingenieur van Waterstaat in de provincie Overijssel, openbaar worden verkocht. De veiling bracht 275 gulden en 75 cent op. Formeel is de Wet op de Strandvonderij nooit afgeschaft, al is er geen vloedlijn meer te bekennen in Kuinre en Blankenham. De regeling, die nog altijd van kracht is in alle Nederlandse kustgemeenten, leidt hier een slapend bestaan sinds de aanleg van de Noordoostpolder.
 Kuinre kwam letterlijk droog te liggen na afsluiting van de Zuiderzee. Het was lange tijd een voorname havenplaats met verlichting, zodat schepen ook bij nacht of mist het vissersdorpje konden bereiken. Ook de heren van Kuinre waren afhankelijk van alles wat uit zee kwam, maar namen het wat minder nauw met de regels. De roofridders stonden te boek als valsemunters en piraten, ze opereerden met succes vanuit hun strategisch gelegen burcht aan zee. In de 14de eeuw maakten de heren zich op grote schaal schuldig aan plunderingen van handelsschepen op de Zuiderzee. Hun burcht werd stelselmatig door de zee ondermijnd en uiteindelijk weggespoeld. Bij de drooglegging en inrichting van de Noordoostpolder kwamen de fundamenten voor de dag en is het historische gebied door archeologen in kaart gebracht, waarna de resten gedeeltelijk gereconstrueerd werden.6

6. Plaag van muggen en spinnen.
Het einde van de Zuiderzee en de bouw van de Afsluitdijk, voltooid in 1932, kenden verstrekkende gevolgen voor dit gebied. Eén ervan was een muggenplaag die zijn weerga niet kende.
 Een deel van de Zuiderzee werd in de eerste helft van de 20ste eeuw ingepolderd tot nieuw land. De rest van die grote binnenzee werd in tweeën gesplitst door de komst van de Afsluitdijk: een gedeelte bij de Waddenzee en een deel binnendijks, het IJsselmeer. De consequenties waren enorm. Burgemeester en wethouders van de gemeente Kuinre maakten melding van “plotselinge ernstige muggenplagen”, “een schrikbarende voortplanting van spinnen die op de muggen azen” en “een grote toename van het aantal zwaluwen en spreeuwen.” Verder reageren B en W in de stukken gealarmeerd op de grote hoeveelheden aangetroffen dode vis, aangespoeld sinds de afsluiting van de Zuiderzee.7
Niet alleen de voormalige gemeenten van Steenwijkerland worstelden met problemen van deze aard. Op tal van plaatsen rond het nieuwe IJsselmeer heersten in die beginjaren dertig plots muggenplagen. Men vermoedde dat de problemen het gevolg waren van de aanleg van de Afsluitdijk. Een barrière die glasaaltjes en andere vissen tegenhield; soorten die normaliter de larven van de groene rietmug opaten. Deze diertjes bleven nu dus massaal in leven. Slecht nieuws voor de palingvissers, maar ook voor omwonenden; zij werden geteisterd door dikke wolken muggen. De plaag nam extreme vormen aan: automobilisten op de Afsluitdijk zagen geen hand voor ogen door de insecten. Ze veroorzaakten verkeersongelukken en verstoppingen van radiateurs. Zelfs het drinkwater raakte vervuild. De landelijke overheid greep in: in 1936 werd de “Commissie inzake de Muggenplaag” in het leven geroepen die het probleem moest onderzoeken en oplossen. Zover kwam het niet. De muggen verdwenen na een paar seizoenen spontaan weer. De natuur had zichzelf op wonderbaarlijke wijze hersteld.

7. Het meisje van Fredeshiem.
Het meest persoonlijke oorlogsrelikwie in de archiefbewaarplaats is afkomstig uit de correspondentie van Fredeshiem8, het doopsgezinde broederschapshuis onder de rook van Steenwijk. Het is een afscheidsgedicht van een anoniem joods meisje, dat als zo velen was gevlucht uit Duitsland. Geschreven na haar verblijf in het gastenhuis, tussen april en juni 1939. Een paar gelukzalige, zorgeloze maanden onder de hoede van Fredeshiem. Zo blijkt wel uit deze strofe: “Wie froh erwacht ich jeden Morgen / Ob Sonne, Regen oder Wind / Wie ferne waren alle Sorgen / Da wir in Deiner Obhut sind!”
 Haar pennenvrucht bleef bewaard, van het meisje zelf is weinig bekend. Geen foto, geen naam of leeftijd. Niets over haar lot in de Tweede Wereldoorlog. Viel ze in handen van de nazi’s? Heeft ze de verschrikkingen overleefd? Wat we wel weten is dat dit meisje na Kristallnacht (9 op 10 november 1938) samen met een grote groep kinderen op de trein naar Nederland is gezet. Een noodgreep. Hun ouders hoopten dat ze in het buurland liefdevol door pleeggezinnen zouden worden opgevangen. Maar dat gebeurde niet: de Nederlandse regering achtte de situatie van Duitse joden “betreurenswaardig, maar niet levensbedreigend”9  en de meeste van hen werden aan de grens geweigerd. De kinderen kwamen in de barakken van een Rotterdams doorgangskamp terecht. Een selecte groep van veertig jongens en meisjes had het geluk naar Noordwest-Overijssel te mogen, omdat het comité Buitenlandse Noden van Fredeshiem zich over deze Duitse kinderen ontfermde. Dit ene meisje beleefde hier een zeer gelukkige tijd. Haar gedicht is één grote jubelzang op het zorgeloze leven in en rond het vakantiehuis.

1 Bron: website Vollenhove door de eeuwen heen, www.henkvanheerde.nl.
Archief Stad Steenwijk tot 1811, inv. nr. 62, blz. 68.
3 Archief Gemeente Stad Vollenhove 1814-1942, inv. nr. 344 en 549 (archief Plaatselijke Commissie Zuiderzeesteunwet). Diender, M.E., Problematiek van Vollenhove (Zeist 1962), 2-7. Mooijweer, Js., Havezaten van Vollenhove, Marxveld, Oldenhof en Oldruitenborgh (Zwolle 1989), 14 en 16.
4 Archief Fortresse/Gemeente Blokzijl 1528-1942, inv. nr. 1030.
5 Archief Gemeente Kuinre 1818-1972, inv. nr. 601.
6 Bron: www.kasteleninoverijssel.nl.
Archief Gemeente Kuinre 1818-1972, inv. nr. 1144.
Archief Fredeshiem, inv. nr. 130.
9 Bron: Nationaal Historisch Museum, www.anno.nl.

 naar boven  


BEELD

1__Jacht_op_vagebonden_600
1. Een “geheime akte” uit het archief van de gemeente Blokzijl, 1789. Hierin maken de Staten van Overijssel melding van het organiseren van een jacht op landlopers en vagebonden.
2_Register_veroordeelde_personen_600
2. In het Register Veroordeelde Personen van de gemeente Giethoorn (begin 20e eeuw) staan uiteenlopende vonnissen te lezen, van “wederspannigheid” tot “strooperij”.
3_Vergrijpen_Vollenhove_voorzijde_600
3. Dit is de opsomming door het “hoofd der policie” van Vollenhove van alle in 1862 gepleegde vergrijpen.
4_Afscheidsgedicht_Fredeshiem_600 4. Gedicht van een anonieme Duitse vluchtelinge die in het voorjaar van 1939 enkele maanden in Fredeshiem doorbracht. Het meisje beleefde er een geweldige tijd, zo valt op te maken uit haar enthousiaste verzen.
5_Vollenhoofse_bol_600 5. Een “Vollenhoofse Bol” bij het baken in Vollenhove. Platschepen als deze werden veel gebruikt voor de Zuiderzeevaart in deze omgeving.
6_Overzicht_slachtoffers_1825_600 6. Dit overzicht met slachtoffers van de grote watersnoodramp in 1825 komt uit het boek Overijssels Watersnood van J. ter Pelkwijk.
7_Muggenplaag_600 7. Door de afsluiting van de Zuiderzee en de aanleg van de Afsluitdijk kampten veel gemeenten, waaronder Kuinre, met een ongekende muggenplaag. Getuige dit krantenknipsel stortten ook specialisten zich op dit wonderlijke fenomeen.
Dit digitale dossier is geplaatst in februari 2011.  
 

Winkelmandje

VirtueMart
Uw mandje is momenteel leeg.

Tekst van de Maond
Bekijk hier alle teksten.
Nieuws


Disclaimer | Colofon | © 2011 Stichting IJsselacademie. Alle rechten voorbehouden.