Winnend verhaal 2008
3e prijs
Thema: Hongertocht
Auteur: Erwin Bisschop, Zwolle
Titel: Dichtbij en toch veraf
Dichtbij en toch veraf
Het was nog vroeg.
Door een kier in de verduisteringsgordijnen ving hij een glimp op van de verdwijnende nacht.
Hij zuchtte en stapte uit bed.
Iedere dag hetzelfde, altijd vroeg op.
En 's avonds weer laat naar bed.
Hij wilde dat het anders kon.
Maar hij wist bij zichzelf dat hij zijn moeder niet alleen kon laten.
Het was bijna 5 jaar geleden dat het begon. Na de inval van de Duitsers in Nederland had zij nauwelijks nog gesproken. Haar ogen waren steeds dieper weggezonken. De laatste maanden was zij zelfs nauwelijks uit bed geweest. Eten ging ook steeds slechter.
Voor haar deed hij het, alleen voor haar.
Hij kleedde zich om en ging op weg.
Naar de fabriek. Altijd hetzelfde.
De grauwe ochtendschemering hing als een deken over de stad. Een waterig zonnetje probeerde over de horizon heen te kijken. De contouren van de stad werden scherper, als hij straks bij de fabriek was zou hij de stenen van elkaar kunnen onderscheiden.
Het werd drukker op straat. Meer arbeiders waren op weg naar de fabriek.
Hij groette enkelen, maar de meesten keken stilzwijgend voor zich uit.
Van een afstandje zag hij dat het hek van de fabriek gesloten was.
Hij vond het vreemd.
Er stond een groepje mannen voor het hek.
Hoewel, mannen?
De meesten waren niet ouder dan hij.
Eigenlijk nog kind.
Toch zagen ze er zo volwassen uit.
Wat een oorlog niet met mensen deed.
Nu kon hij lezen waar zij naar keken.
Een poster.
Geschrokken en vol ongeloof las hij de boodschap.
De fabriek gesloten!
Op last van de bezetter.
Zijn enige manier van broodwinning!
Wat moest hij nu?
Verslagen liep hij huiswaarts.
Hoe kon hij nu voor voldoende eten zorgen?
De prut uit de gaarkeukens kreeg zijn moeder niet naar binnen.
Angst overviel hem.
Zijn moeder zou dit niet overleven.
Plotseling voelde hij een hand op zijn rug.
Een van de oude mannen die ook in de fabriek had gewerkt stond achter hem.
'Ga je mee?', vroeg hij.
'Ik ga naar het oosten, daar schijnt nog voedsel te zijn.'
Daar loopt hij.
Op weg naar het oosten.
Het was snel gegaan, de oude man bleek een bolderkar te hebben en zijn vrouw paste nu op zijn moeder. Hij hoopte dat zijn moeder het nog vol kon houden tot zij terug waren met eten.
Ze liepen niet snel. Het was koud en voortdurend waren ze op hun hoede voor Duitsers, maar ook voor geallieerde vliegtuigen. De oude man had gewaarschuwd dat die voortdurend op zoek waren naar Duitse wagens en soldaten.
Toch vorderden ze. 's Ochtends vroeg waren ze vertrokken en aan het eind van de dag waren ze op meer dan een derde van de afstand.
Ze sliepen in een verlaten boerderij, waar het tochtte en krioelde van de muizen.
Ze waren ook niet de enigen die daar overnachtten. Op ieder beschut plekje lag wel een voedselzoeker.
Hij hield angstvallig zijn grote zak bij hem. Daarin zat een klein beetje leeftocht, maar de zak was vooral bedoeld voor de terugweg.
Hoe zwaarder de zak dan was, hoe beter.
Denkend aan het heerlijke dat hem te wachten stond, viel hij in slaap.
Hij schrok wakker.
Er stond een donkere gestalte over hem heen gebogen.
Buiten was het ook nog donker.
Wat moest die persoon van hem?
Plotseling herkende hij hem.
Het was de oude man.
"Opstaan, snel!", fluisterde die.
"Dan blijven we de anderen voor."
Ze gingen weer op stap.
Het grootste deel van de tijd zwegen ze.
Wat viel er te zeggen?
Dat ze honger hadden?
Dat ze de Duitsers niet mochten?
Dat de geallieerden eens op moesten schieten?
Hij vond het niet nodig, daar was al zo veel over gezegd.
Zijn maag knorde.
Maar hij moest zuinig zijn.
En de oude man klaagde ook niet.
Hoewel ze zo vroeg waren opgestaan liepen er toch veel andere mensen bij hen in de buurt. Het hinderde hem. Sommigen zagen er nog slechter uit dan hij, of zelfs slechter dan de oude man.
Er liepen ook vrouwen. Soms zelfs met kleine kinderen.
In de berm lag hier en daar een kapotte kar of een compleet onbruikbare fiets.
Van de eigenaren geen spoor.
's Middag hielden ze even pauze.
Aten wat brood.
Dronken wat water.
Deze avond hadden ze geluk.
Een boer stelde zijn hooischuur ter beschikking aan de voedselzoekers.
De schuur tochtte niet en er lag hooi om op te slapen.
Hij had geen eten meer voor hen, velen hadden al bij hem aangeklopt, maar nu was het op.
Hij had nog wel goede raad.
In Overijssel zou nog genoeg te krijgen zijn.
Ook waarschuwde hij voor de IJsselbrug. Op de heenweg kwam je er wel over, terug mét eten was lastiger. Regelmatig pakten de Duitsers dat af.
De oude man haalde zijn schouders op en ging slapen. Het zou wel loslopen.
Hij volgde al snel zijn voorbeeld.
De volgende morgen bereikten ze de IJsselbrug.
Het was nog niet zo laat, maar er stonden toch al behoorlijk wat mensen in de rij.
De Duitsers controleerden iedereen, maar gelukkig duurde het wachten niet lang.
Ook konden ze ongehinderd passeren.
Hij hoopte dat het op de terugweg net zo was.
Voor de avond bereikten ze een gebied waar nauwelijks voedselzoekers meer liepen.
Ze klopten aan bij een boerderij.
Een vriendelijke boerin deed open en heette hen welkom.
Vol medelijden bekeek ze hun ingevallen gezichten en door de kou gebarsten handen.
Zij hadden nog geen mensen gehad die om eten vroegen vertelde ze.
Maar haar man zou hun zeker wat geven. Ze hadden genoeg. Ook konden ze blijven slapen.
Hij was blij met dit aanbod.
Het eten dat ze kregen was heerlijk.
Al maanden had hij geen lekker stukje vlees meer op.
Of melk gedronken.
Laat staan boter op brood gehad.
Ze sliepen in een warme bedstee.
Hij kon zich niet herinneren ooit zo lekker gelegen te hebben.
Een volle maag.
Warmte...
Een dikke deken...
Het laatste dat hij merkte was dat de boerin de luikjes dicht deed.
's Morgens liet de boerin hen uitslapen.
En daarna had ze een overvloedig ontbijt. Hij keek zijn ogen uit.
Hadden zij thuis maar de helft van wat hier op tafel stond op voorraad!
De boerin wees op een paar grote zakken op de deel.
Eén met aardappelen.
Eén met meel.
Een zak met groenten
En zelfs een zak met wat vlees en boter!
Na een afscheid met veel dankwoorden keerden ze de boerderij de rug toe.
De oude man had alles in zijn kar gedaan en om de beurt trokken ze. De boerin had hen aangeraden om nog langs wat andere boerderijen in de omtrek te gaan. Die konden vast ook nog wel wat missen.
Hij hoopte het.
Bij de volgende boerderij werden ze afgeblaft.
Twee grote honden stonden grommend bij de rand van het erf. De boer kwam naar buiten en was ook niet van plan hen te helpen, hij zwaaide dreigend met zijn stok.
Ook bij de boerderij daarna wilden ze niets geven. De boerin zag hun kar en vond dat ze al genoeg hadden.
Ontmoedigd liep hij verder, maar de oude man bleef vol goede moed.
Waarom wilden sommigen hen niet helpen?
Zagen die niet hoe zij er aan toe waren?
Aan het eind van de dag hadden ze nog wel succes. Bij een kleine boerderij was een boer die hun wel wat wilde geven. Ze kregen wat meel en ook wat appels.
'Voor onderweg', zei de boer.
Ze mochten niet blijven overnachten, die hint was duidelijk.
Het leek alsof de boer bang voor hen was.
Waarom?
Hij was ook gewoon een mens!
Het was bijna spertijd. Waar moesten ze vannacht slapen?
Verderop zag hij de omtrekken van een dorp.
Snel gingen ze er heen. Gelukkig werden ze daar wel gastvrij onthaald.
De volgende morgen vertrokken ze vroeg.
Als snel kwam de IJsselbrug in zicht.
Hij herinnerde zich de waarschuwende woorden van de boer.
Ook de oude man vroeg zich af wat ze moesten doen.
Ze liepen maar door.
Het zou wel loslopen.
En wat moesten ze anders?
Bij de IJsselbrug aangekomen bleek het mee te vallen.
Een colonne Duitse voertuigen moest de brug ook over.
Met hun meerderen erbij durfden de soldaten die controleerden geen spullen af te pakken.
Snel liepen ze verder.
Voor de nacht vonden ze onderdak in een oud schuurtje en ook de volgende dag liepen ze stevig door. Veel voedselzoekers kwamen hen tegemoet.
Ook nu lagen er weer kapotte karren in de berm.
Een keer zelfs met de eigenaar ernaast.
Het was niet te zien of die nog leefde.
Hij keek snel de andere kant op.
Voor hen zagen ze een vrouw van vermoeidheid neervallen.
Niemand bekommerde zich om haar.
Misschien zou er straks iemand uit de omgeving langs komen.
Hij kon haar nu ook niet helpen.
Een jongen pakte zelfs haar voedsel af.
Hij voelde boosheid opkomen, maar wat kon hij er tegen doen?
Die vrouw kon het nu toch niet meer gebruiken.
In de verte zag hij de contouren van zijn woonplaats al.
Ze zouden het voor de nacht niet meer halen.
Hoe zou het met zijn moeder zijn?
Gelukkig had hij nu veel en goed eten.
Daar zou zijn moeder van opfleuren.
Als de oude man maar niet te veel voor zichzelf wilde hebben.
Dan zou hij hem...
De zon zakte langzaam achter de horizon.
Voor zich hoorde hij opeens 'Halt' roepen.
Hij schrok.
Landwachters.
Hebberige landverraders.
Terug naar het overzicht van winnende verhalen