Winnend verhaal 2010
3e prijs
Thema: Heb het hart eens!
Auteur: Djoni de Vos, Tollebeek
Titel: Het gaat zoals het gaat
Het gaat zoals het gaat
Het gaat zoals het gaat, altijd. Zondag soepdag, woensdag grote schoonmaak. Moeder thuis aan de afwas, vader aan het werk. Crisis of geen crisis, winter of herfst, het gaat zoals het gaat. Het lijkt een eentonige cadans waarin het leven langzaam voorbij kruipt, maar het tegendeel is waar. Zonder het zelf echt goed te beseffen vloog de tijd langs me heen.
Ik kon het niet vangen, niet vasthouden en voor ik het doorhad, was het oorlog.
Niet in ons huis, maar in het land. In ons huis ging alles zoals het ging, ook nu. Koffie om drie uur (hoewel dat onderhand surrogaatkoffie was), opstaan om zes uur, slapen om elf uur. En met elke verandering in onze omgeving werd ons gezin meer hetzelfde. Stabiel, zei men.
Esther, mijn Joodse klasgenootje, verdween. Ik kwam geschokt het huis binnen tuimelen, mijn moeder had de koffie klaar. Zoals altijd. “Waarom ben je zo laat?” klonk haar koele stem. Ik zei niets en ging zitten. Moeder ging onverstoorbaar door met boontjes doppen, zoals iedere dinsdag.
Hoe kon het dat ze niet veranderden? Het was OORLOG! Álles veranderde, de hele wereld trilde en sidderde, mensen konden zich alleen nog maar over straat haasten in plaats van te lopen, men hoorde Duits in plaats van Nederlands en iedereen verkeerde in een constant gevaar. Maar zodra je ons huis binnenstapte, leek je beland te zijn op een verre, onaardse planeet waar oorlog niet bestond, en boontjes doppen een levensdoel op zich was. Het klopte niet, alles hoorde te veranderen. Er moest Radio Oranje geluisterd worden, er moesten verzetskranten gelezen worden, soepdag moest weg, de grote schoonmaak mocht niet meer belangrijk zijn.
“Ik hoef die koffie niet.” Moeder keek op, ik weigerde nooit koffietijdkoffie. Maar er moest iets veranderen, al was het maar koffietijd. De buitenaardse atmosfeer in ons huis drukte je kop in het zand, ook wat de oorlog betrof. Ik stond niet snel genoeg op om moeders trieste blik te missen.
Buiten voelde de lucht lichter, ondanks de door de straten lopende Duitsers. Hier was iedereen bezig, men veranderde, men besefte. Maar moeder, vader, zij beseften niet, zij veranderden niet. Zij namen aan, concludeerden en leefden weer voort, ze hadden hoogstens een moment hun bezigheden gestaakt. Maar ze hoorden op hun kop te staan!
Buiten leek ik terug te zijn in een andere dimensie, de echte dimensie. Hier was angst, verdriet, heldhaftigheid, spanning, verandering. En Duitsers, dat vooral.
Ik liep over de stoep en fantaseerde dat mijn voeten precies in de sporen van vorige week liepen. Op precies dezelfde steen zou ik mijn linkervoet neerzetten, op precies dezelfde steen mijn rechtervoet.
Dezelfde mensen zouden voorbij komen, het zou dezelfde tijd kosten. Altijd hetzelfde, eeuwige sleur. Mijn lichaam gehoorzaamde niet aan mijn wil, het liep door een oneindig landschap, zichzelf constant herhalend. De omgeving veranderde, zeker, maar ík niet.
De lucht was beklemmend.
Mijn surrealistische fantasie viel in stukjes uiteen toen ik tegen iemand aan botste. Hij stond daar vorige week niet. De man droeg een lange, groene jas en keek me vanonder zijn hoed onvriendelijk aan.
“Wat moet dat?”
Ik stamelde een excuus en liep door. Nog een paar straten.
Je herkende ze van verre. Hun laarzen, het jasje, de riem, of zelfs alleen de blik in het ogen. Duitsers, twee paar, aan het eind van de straat. Ik probeerde mijn pas te beheersen, zodat ik niet sneller zou gaan lopen. Mijn tred kreeg daardoor iets houterigs. Ik concentreerde me op mijn buikademhaling, zodat ik iets ‘te doen’ had totdat ik langs ze was. Het was alsof je langs een leeuw liep, die alleen zou blijven slapen als je niet rook als een gazelle. Toevallig was je een gazelle.
Toch ging alles goed, zoals altijd. Nooit was ik eruit gepikt, nooit. De volgende straat vloog snel langs mij heen, want nu ik ze voorbij was, mocht ik mijn pas wel versnellen. De winkel kwam al in zicht, de luifel verbleekt en zelfs gescheurd. De mensenrij stond tot buiten, net als vorige week.
De bonnen in mijn zak waren als stemmen in mijn hoofd: ze schreeuwden om heldhaftigheid, moed, oorlog. Heb het hart eens!, riep een roze boterbon.
De rij was te lang om de gedachte te verdringen. Ik probeerde te denken aan mijn toets van morgen, alle taken die ik nog moest doen, de smaak van echte koffie. Het lukte niet. Steeds bleef daar die gedachte door mijn hoofd zoemen, zeuren. Had ik het hart?
De rij begon door te schuifelen en even vreesde ik dat er niets meer over zou zijn. Dit waren de momenten waarop ik altijd controleerde of mijn bonnen niet toevallig opgelost waren in mijn binnenzak, of dat het geld gesmolten was. Ook nu vloog mijn hand naar mijn binnenzak, maar ik had hem net op tijd door. Ik heb het hart, prentte ik mezelf in.
Vlak voor mijn hand te bonnen kon controleren, trok ik hem terug. Verandering.
De vrouw achter mij beefde. Ik had haar dunne, grijze haren nog nooit eerder gezien, ik kende haar gerimpelde gezicht niet. Ze was onbekend, iets wat weinig voorkwam in deze buurt.
“En het is koud weer, he Mien? Zo koud hebben we het niet gehad sinds… sinds…”
De vrouw mompelde voor zich uit, Mien was nergens te zien. Medelijden met deze verwarde, hongerige vrouw plakte aan mijn geest.
Het schoot op. Van voor de luifel was ik eronder geschuifeld, over de drempel de winkel in. De lichte zweetlucht accentueerde het gemis van de versvoedselgeur die hier vroeger altijd hing. De vloer was modderig, vies. De aardappels ook, ze leken iedere keer kleiner te worden. De erwten waren al op, net als de rest van de groente.
De meneer voor mij leverde zijn bonnen in, er waren nog vijf aardappels over. Ik keek van de rimpelige, modderige aardappels naar de bevende, verschrompelde vrouw.
Ik wilde niet dapper zijn. Ik wilde mijn handen tegen mijn oren duwen, mijn ogen sluiten en schreeuwen tot de oorlog afgelopen was en iedereen weer gelukkig was.
De vrouw beefde.
De aardappels lonkten, ze glinsterden ondanks hun modder.
Ik had het niet.
Mijn hand greep de vijf aardappelen, borg ze op en smeet de bonnen op de toonbank. Terwijl ik mij de winkel uit haastte, fluisterde ik iets als “sorry” tegen de hongerige vrouw. Ik wilde ergens tegenaan schoppen, iets kapot slaan. Waarom was het zo moeilijk?
Maar ik had het beloofd. Ik zou het hart hebben. En ik had het ook! Ik was niet laf, ik zou verandering brengen. Vandaag. Om mijn voornemen kracht bij te zetten liep ik naar links in plaats van naar huis. Over het spoor, naar de zigeuners, mijn aardappels brengen. Ja, dat zou ik doen.
De keukentafel thuis voelde anders aan. Ruwer, gemener. De keuken leek anders. Kleiner.
We aten mijn vijf aardappels, net als iedere dinsdag.
Terug naar het overzicht van winnende verhalen