|
De taal van de streek Het werkgebied van de IJsselacademie spitst zich toe op Salland en het Land van Vollenhove (van Gramsbergen tot Schokland en van Bathmen tot Steenwijk). De streektaal die hier gesproken wordt, is niet een eenheidstaal, maar verschilt van plaats tot plaats.
| In het Nederlands is het: |
De deur staat wijd open |
| In Deventer zeggen ze |
De deure steet wied lös |
| In Dedemsvaart |
De deure stiet wied lös |
| In Steenwijk |
De deure staot wied lös |
| En in Genemuiden |
De deure stet wied lös |
Als we dus in het Nederlands open zeggen, wordt in deze plaatselijke talen, ook wel dialecten genoemd, lös gezegd. Dat is een overeenkomst. Maar dat er verschil is, blijkt ook uit bovenstaand zinnetje: het woord staat wordt in deze vier plaatselijke talen telkens anders uitgesproken.
Het Nedersaksisch De talen van Salland en het Land van Vollenhove behoren tot het grote Nedersaksische taalgebied, samen met het Twents, Drents, Gronings, Stellingwerfs (uit Zuidoost-Friesland), Achterhoeks en Veluws. Op het kaartje ziet u het Nedersaksische taalgebied in Nederland. En dat grote Nedersaksische taalgebied loopt ook nog een heel eind Duitsland in.
Het is natuurlijk niet zo dat in de rest van Nederland geen streektalen worden gesproken. In tegendeel: elke regio heeft zijn eigen regionale taal en lokale talen: Brabant, Limburg, Zeeland, Utrecht, en ook in Noord- en Zuid-Holland worden verschillende dialecten gesproken. Hoe de verschillende streektalen precies zijn ontstaan, weten we niet. Wat we wel weten is dat ze hier al heel lang gesproken worden en dat ze veel ouder zijn dan het Nederlands. Het zijn dus geen spraakgebreken, geen verbasteringen van het Nederlands en zeker geen achterlijke taaltjes van boeren van het platteland.
Ontstaan van het Nedersaksisch Vanuit het Westgermaans ontstonden na 500 langzaam maar zeker de verschillende oudwestgermaanse dialecten (zie het schema). Die dialecten ontwikkelden zich in de loop van de tijd allemaal tot standaardtalen, behalve het Oudsaksisch, dat nu voortleeft in de Nederduitse en Nedersaksische dialecten.
| Oudwestgermaans |
Oudengels ±800 Engels |
Oudfries ±1000 Fries |
Oudnederlands ±1000 Nederlands |
Oudsaksisch ±800 Nedersaksisch/Nederduits |
Oudhoogduits ±800 Duits |
Standaardtaal naast streektalen In de Middeleeuwen, ongeveer tot 1500, bestond het Nederlands nog niet. Er waren alleen de verschillende streektalen. Maar geleidelijkaan begon men te beseffen dat het wel handig zou zijn als iedereen gebruik zou maken van dezelfde taal, vooral voor het lezen en schrijven: de uitvinding van de boekdrukkunst betekende dat meer boeken onder meer mensen verspreid zouden worden, Nederland werd langzamerhand ook politiek meer een eenheid en voor het onderwijs moesten meer schoolboeken geschreven worden. Vooral de boekdrukkers hadden wel belang bij een eenheidstaal. Uiteindelijk kwam er een algemeen Nederlands, en werd die taal steeds belangrijker. De uitgave van de vertaling van de hele bijbel in het Nederlands die in 1637 verscheen, de zogenoemde Statenbijbel, was een belangrijke stap in het ontstaan van de eenheidstaal.
Ondertussen bleven de verschillende streektalen springlevend, en pas in de 20e eeuw werden ze door allerlei oorzaken langzamerhand minder gebruikt. Toch zijn ze nog lang niet verdwenen.
In 2002 is een zogenoemde taaltelling gehouden in het Nedersaksische taalgebied, waaruit bleek dat in West-Overijssel nog zo'n tweederde deel van de mensen die er wonen, de streektaal kan spreken, en dat meer dan de helft dat ook nog echt doet. De Nederlandse overheid erkent het Nedersaksisch officieel als streektaal in 1996. Sinds dat jaar valt het Nedersaksisch onder deel II van het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden. Het handvest is bedoeld om regionale talen en talen van minderheden, als bedreigd onderdeel van het culturele erfgoed van Europa, te beschermen en te bevorderen. De Nedersaksische streektaalbeweging (SONT) streeft momenteel naar een verdergaande erkenning, nl. onder deel III van het Handvest.
Bronnen: Bloemhoff, H., Taaltelling Nedersaksisch. Een enquête naar het gebruik en de beheersing van het Nedersaksisch in Nederland. Groningen/Oldeberkoop 2005. Bree, C. van, Historische grammatica van het Nederlands. Dordrecht 1987. Sijs, N. van der, Taal als mensenwerk: het ontstaan van het ABN. Den Haag 2004 Vries, Jan W. de, R. Willemyns en P. Burger, Het verhaal van een taal. Negen eeuwen Nederlands. Amsterdam 1993 www.sont.nl
|