Zoutgeldkohieren

De kosten van de Negenjarige Oorlog (1688-1697) voor de Republiek werden in Overijssel deels opgevangen met de instelling van een accijns op de consumptie van zout. Het besluit hiertoe viel op 12 september 1693, de ordonnantie voor de uitvoering werd de volgende dag vastgesteld.

Onder de belastingen neemt het Zoutgeld een bijzondere plaats in. Allereerst is het vreemd dat deze accijns als een directe belasting werd geheven, waarbij de tarieven voor de rijkeren waren gekoppeld aan de bestaande vermogensbelasting, de Duizendste Penning. Verder is opmerkelijk dat de ordonnantie nogal vaag is. Dit gaf de belastingschatters een grote mate van vrijheid om de hoogte van de aanslag vast te stellen. Wat het zoutgeld ten slotte bijzonder maakt, is dat voor deze heffing voor het eerst in Overijssel een overzicht van de gehele huishoudensbevolking met onderscheid naar inkomen en vermogen is opgesteld. Daardoor leent deze belastingbron zich bij uitstek voor familieonderzoek en voor onderzoek naar de welstand van de toenmalige bevolking.

Om het gebruik van de aanslaglijsten te vergemakkelijken worden alle zoutgeldkohieren uit 1693 door de IJsselacademie getranscribeerd en komt deze transcriptie, inclusief toelichting, tegen het einde van dit jaar voor het publiek beschikbaar op deze website.